Weet u waar de uitdrukking ‘muggenziften’ vandaan komt? Uit de Bijbel: Mattheüs 23.
Daar is de Heer in discussie met Farizeeën en Schriftgeleerden. Omdat Jezus nogal eens met hen in discussie is, hebben zij in de christelijke traditie een heel slechte naam gekregen, maar dat hebben zij hélemaal niet verdiend. ‘Farizeeën’ zijn de orthodoxe stroming, degenen die waken over de zuiverheid van de Joodse godsdienst. De manier van discussiëren die we in de evangeliën tegenkomen, is in het Jodendom heel normaal. Dat Jezus met Farizeese schriftgeleerden debatteert, is een teken dat Hij theologisch met hen verwant is. (Met de Sadduceeën bijvoorbeeld viel niet te discussiëren.) Ook al blijven sommigen van de Farizeeën volgens de maatstaf van Jezus geestelijk en moreel ver onder de maat, zegt Hij in het begin van Mattheüs 23 (vers 2) nadrukkelijk:
‘De schriftgeleerden en de Farizeeën hebben plaatsgenomen op de stoel van Mozes. Houd je dus aan alles wat ze jullie zeggen en handel daarnaar’ (‘maar handel niet naar hun daden…’)
De Here Jezus zegt in het begin van de Bergrede (Mattheüs 5): 'Denk niet dat Ik gekomen ben om de Wet of de Profeten af te schaffen. Ik ben niet gekomen om ze af te schaffen, maar om ze tot vervulling te brengen. Ik verzeker jullie: zolang de hemel en de aarde bestaan, blijft elke jota, elke tittel (het kleinste lettertje of streepje) van kracht, totdat alles gebeurd zal zijn. Wie dus ook maar een van de kleinste van deze geboden afschaft en aan anderen leert datzelfde te doen, zal als de kleinste worden beschouwd in het koninkrijk van de hemel. Maar wie ze onderhoudt en dat aan anderen leert, zal in het koninkrijk van de hemel in hoog aanzien staan. Want Ik zeg jullie: als jullie gerechtigheid niet groter is dan die van de schriftgeleerden en de farizeeën, zullen jullie zeker het koninkrijk van de hemel niet binnengaan.'
Maar terug naar dat ‘muggenziften’. In Mattheüs 23 vaart Jezus uit tegen de Schriftgeleerden en Farizeeën en zegt tegen hen: 'Blinde leiders zijn jullie, die uit hun drank de muggen zeven, maar een kameel wegslikken!' Het doorslikken van een mug werd bezwaarlijk geacht door orthodoxe joden, omdat dan de wet overtreden werd dat men geen bloed mocht eten; Jezus zegt dan tegen hen, dat ze weliswaar een mug uitzeven, maar dat ze een kameel doorslikken; met andere woorden: ze maken zich druk over kleine dingen – die op zichzelf niet onbelangrijk hoeven te zijn! –, terwijl ze grote dingen veronachtzamen. Men zou het ene moeten doen èn het andere niet nalaten!
In Markus 7 wordt verteld, dat er geleerden uit Jeruzalem en Judea naar Galilea gekomen zijn. In de meeste Bijbelvertaling staat dat het “Joden” waren. Dit kan heel verwarrend zijn, omdat de meeste mensen niet weten, dat er een groot verschil was tussen Judeeërs en Galileeërs. Afgaand op de vertaling, zijn er zelfs theologen tot de conclusie gekomen, dat er in het Nieuwe Testament anti-joodse, antisemitische tendensen zijn!
‘De Joden’, Judeeërs wordt dus bedoeld, woonden in het Zuiden, in de omgeving van Jeruzalem. De religieuze mensen in Judea hadden andere gewoonten dan de mensen in Galilea. Galileeërs werden door hen veracht en als halve heidenen beschouwd.
De mensen die uit Jeruzalem en omgeving gekomen zijn, constateren, dat de discipelen niet hun handen “wassen” voor de maaltijd, zoals de mensen in Judea dit gewend zijn.
Het is niet erg fris, om niet eerst je handen te wassen voordat je gaat eten. Maar hier gaat het niet over een reinigende wassing, maar over een rituele wassing, waarmee zij hun handen heiligden voordat zij het brood aanraakten. Voordat zij daarvan gingen eten, lieten zij eerst wat water uit hun ene hand over de andere hand lopen en daarna uit de andere hand over de ene hand. Zij overgoten dus om beurten hun linker- en hun rechterhand. Een voorschrift dat alleen voor priesters gold, maar dat later werd uitgebreid naar niet-priesters. De geleerden die uit Jeruzalem en Judea gekomen zijn en helemaal vertrouwd zijn met deze gewoonten, ontdekken, dat de discipelen van de Here Jezus niet dezelfde rituelen naleven als zij. Een voorschrift dat door God alléén was voorgeschreven voor priesters werd uitgebreid naar niet-priesters. Geen voorschrift van God Zelf dus, maar een menselijke inzetting, in die dagen een paar eeuwen oud en tot de dag van vandaag door orthodoxe Joden stipt nageleefd. Dat klopt precies met wat de Judeeërs tegen Jezus zeggen: ‘Waarom houden uw leerlingen zich niet aan de tradities van onze voorouders en eten ze hun brood met onreine handen?’
Het gaat hier dus helemaal niet over de toepassing van de wet van Mozes. Het gaat om toepassing van de regels van de geestelijke leiders in Jeruzalem. En dáár maakt Jezus korte metten mee: ‘De geboden van God geeft u op, maar aan tradities van mensen houdt u vast’!
Maar doen wij niet precies hetzelfde?!
Het christendom heeft de eeuwen door geleerd, dat Christenen ‘niet leven onder de Wet, maar onder de genade’. De eeuwen door zijn gelovigen zo geprogrammeerd, dat ze dat slikken voor zoete koek: ‘De Wet is niet meer van kracht.’ Wij bepalen zelf wel, wat nog wèl van kracht is en wat níet: de Tien Geboden wel (althans tot op zekere hoogte, want wie heiligt de Sabbat?); de rest natuurlijk niet, de ‘ceremoniële wet’ is afgeschaft. Hoewel de Heer Jezus toch met grote nadruk zegt: ‘Denk niet dat Ik gekomen ben om de Wet of de Profeten af te schaffen.’
Ik zei het al: Als de waarheid van Gods Woord in het geding is, zijn er geen onbelangrijke dingen, maar luistert het nauw. Vertalen is een riskante zaak. Een bepaalde vertaling kan ons helemaal op het verkeerde been zetten.
‘Denk niet dat Ik gekomen ben om de Wet of de Profeten af te schaffen.’ – lastige tekst…
Verder lezen we door de bril van de christelijke traditie toch echt overal dat de Wet is afgeschaft?
In Efeziërs 2 zegt Paulus, dat wij, gelovigen uit de heidenen, de niet-Joden, eerst géén deel hadden aan het burgerschap van het volk van God, maar nu door het bloed van Jezus wèl. Want door zijn dood heeft Hij de scheidsmuur tussen Joden en heidenen afgebroken, namelijk precies die inzettingen en bepalingen die scheiding maakten tussen wie wel en wie niet bij het volk van God hoorden. (En daarom kon de Jood Simon Petrus bij de Romeinse hoofdman Cornelius binnengaan zonder daardoor onrein te worden.) Maar in Efeziërs 2 staat natuurlijk niet dat Jezus door zijn dood de Tora buiten werking heeft gesteld! (En dan ook inclusief de Tien Geboden; wel consequent zijn, graag.)
In Markus 7:19 horen we als conclusie van Jezus’ tirade tegen een bepaalde groep Farizeeën en Schriftgeleerden: ‘Zo verklaarde Hij alle spijzen rein’.
Op de website van een bepaald kerkgenootschap stond het volgende in een preek over deze tekst: “…en zo verklaarde Hij alle spijze rein. Gemeente, probeert u zich eens in te denken hoe schokkend dat is als Jezus dat zegt! Dat Hij zomaar de wet van Mozes verandert: de spijswet is voortaan niet meer van belang! Je hoeft niet meer kosjer te eten, want in plaats van het reine of onreine eten gaat het om jezelf! Onrein voedsel raakt je innerlijk niet, en daarom hebben de spijswetten wat Jezus betreft geen betekenis!”
Inderdaad ja… dat zou wel heel erg schokkend zijn: als de Zoon van God echt gezegd zou hebben, dat je voortaan rustig datgene kunt eten, wat Zijn Vader zo nadrukkelijk verboden heeft! Dat zou strijdig zijn met alles wat Jezus verder gezegd heeft.
Zo heeft toen ook geen van zijn theologische tegenstanders het opgevat, anders hadden zij Hem dezelfde dag nog terecht als wetsovertreder kunnen aanklagen. Maar dat deden ze niet.
Het gáát in Markus 7 helemaal niet over de vraag, of de volgelingen van Jezus ook niet-koosjer voedsel mochten eten. Jezus heeft het hier ook helemaal niet over rein of onrein vlees, maar over voedsel in het algemeen; en over de wijze van brood eten in het bijzonder. En Hij had het daar alleen over koosjer etende Joden en niet over zwijnenvlees etende Galliërs.
Uit de voedselwetten in de Tora blijkt, dat alle dieren die de Eeuwige geschapen heeft weliswaar goed en nuttig zijn, maar dat niet alle dieren bedoeld zijn als voedsel voor de mens. Als we in de Bijbel het woord “voedsel” tegenkomen, dan heeft dit daarom altijd uitsluitend betrekking op geoorloofde diersoorten en plantaardig voedsel.
Jezus hield Zich – zoals Hijzelf nadrukkelijk zei – in alles aan de wet van Mozes. Hij heeft dus nooit een stukje varkensvlees of paling gegeten en Hij zei ook niet, dat zijn leerlingen dit mochten eten. Als de Heer ‘alle spijzen rein verklaarde’, kan het vlees van die dieren daar nooit onder vallen, want dat is voor Hem en zijn hoorders helemaal geen voedsel. Dat hadden ze ook helemaal niet in huis! Net zo min als er iemand in de kerk is die nu het besluit neemt om vanmiddag vlees van honden of van slangen te gaan eten. Dat is in onze beleving geen voedsel; ook al weten we wellicht dat het in Oost-Azië als een delicatesse beschouwd wordt.
Wat verklaart Jezus hier dan wèl? Hij verklaarde, dat als Joden zonder rituele begieting van hun handen aten, zij zich niet verontreinigden. Dat is het enige waar het hier over gaat. De reinheid zit namelijk niet in het begieten van je handen met water, maar in je hart!
Nooit zegt de Heer, dat je je aan bepaalde geboden van zijn Vader niet meer hoeft te houden.
Altijd zegt Hij tegen de geleerden uit zijn omgeving, dat ze niet consequent zijn en dat ze niet ver genoeg gaan in hun naleving van Gods geboden! Aan hen die zichzelf beschouwen als de handhavers van de rechte leer, vraagt Hij of ze alsjeblieft niet zichzelf, maar het Woord van God serieus willen nemen! Het gaat niet om menselijke tradities, het gaat om je hart:
Slechte gedachten, ontucht, diefstal, moord, overspel, hebzucht, kwaadaardigheid, bedrog, losbandigheid, afgunst, laster, hoogmoed, dwaasheid, díe maken een mens onrein.
Dáárvan willen Gods geboden ons bevrijden.
Niet iedereen die “Heer, Heer” tegen Mij zegt, zal het koninkrijk van de hemel binnengaan, alleen wie handelt naar de wil van mijn hemelse Vader. Op die dag zullen velen tegen mij zeggen: “Heer, Heer, hebben wij niet in uw naam geprofeteerd, hebben wij niet in uw naam demonen uitgedreven, en hebben wij niet vele wonderen verricht in uw naam?” En dan zal Ik hun rechtuit zeggen: “Ik heb jullie nooit gekend. Weg met jullie, wetsverkrachters!”
Wie deze woorden van Mij hoort en ernaar handelt, kan vergeleken worden met een verstandig man, die zijn huis bouwde op een rots. Toen het begon te regenen en de bergstromen zwollen, en er stormen opstaken en het huis van alle kanten belaagd werd, stortte het niet in, want het was gefundeerd op een rots. En wie deze woorden van mij hoort en er niet naar handelt, kan vergeleken worden met een onnadenkend man, die zijn huis bouwde op zand. Toen het begon te regenen en de bergstromen zwollen, en er stormen opstaken en er van alle kanten op het huis werd ingebeukt, stortte het in, en er bleef alleen een ruïne over.’
Toen Jezus deze rede had uitgesproken, waren de mensen diep onder de indruk van zijn onderricht;
want Hij sprak hen toe als iemand met gezag, en niet zoals hun schriftgeleerden.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten